Een van de meest bevrijdende aspecten van Flow is het verdwijnen van de zorg voor het zelf. In Flow ben je zo totaal geabsorbeerd dat je zelfbewustzijn verdwijnt (self-consciousness disappears). Dit maakt psychische energie vrij die anders verspild zou worden aan zorgen en zelfkritiek.
In het dagelijks leven verbruikt de preoccupatie met het zelf psychische energie, vooral wanneer we ons bedreigd voelen en constant moeten beoordelen of we de juiste indruk maken. Flow laat geen ruimte over voor zelfonderzoek (self-scrutiny). De rockklimmer, bijvoorbeeld, is 100 procent klimmer en besteedt geen aandacht aan hoe zijn gezicht eruitziet of wat anderen denken. De chirurg ervaart de operatiekamer als eenheid met zijn team, waardoor hij zijn problemen vergeet.
Dit verlies van het gescheiden zelf gaat soms gepaard met een gevoel van eenheid met de omgeving — de berg, de boot, het team. Dit is een zeer lonende ervaring waarbij de persoon deel wordt van een groter actiesysteem. Hoewel je je zelfbewustzijn verliest, betekent dit niet dat je passief bent. Integendeel, je bent hyperbewust van de actie: een violiste moet uiterst bewust zijn van elke vingerbeweging en het totale muziekstuk.
Paradoxaal genoeg komt het zelf sterker en complexer tevoorschijn nadat de Flow-ervaring voorbij is. Dit komt doordat je tijdens Flow wordt uitgedaagd om je best te doen en vaardigheden continu te verbeteren. Door je aandacht op de interactie te richten in plaats van op jezelf, groeit je zelfbeeld. De “strijd” is tegen de innerlijke wanorde (entropy) die je bewustzijn bedreigt, en het resultaat is een strijd voor het zelf.